Een kortsluiting ontstaat wanneer twee stroomvoerende draden elkaar raken, vaak door beschadigde isolatie of een defect apparaat. Hierdoor neemt de stroom een “korte” weg met weinig weerstand, wat tot een snelle stijging van de stroomsterkte leidt. Zekeringen kunnen hierdoor doorslaan of de aardlekschakelaar schakelt uit om gevaarlijke situaties, zoals brand, te voorkomen.
Hoe lossen wij een storing op?
We starten met het achterhalen van de oorzaak door de groepenkast en de betreffende groep(en) systematisch te controleren. Met moderne meetapparatuur, zoals multimeters en stroomklemmen, sporen we het probleem nauwkeurig op. Soms is het verwijderen van een defect apparaat voldoende; in andere gevallen inspecteren we de bedrading op beschadigingen of losse verbindingen.